Invloed Wagner buiten de muziek 19e -20e eeuw
Wagner belicht vanuit het orkest
Parallellen in het werk van Heinrich Heine en Richard Wagner
Heinrich August Marschner: de schakel tussen Weber en Wagner
WGN - Verslag van de activiteiten in 2010
door Jack van Dongen
Het jaar werd op 14 januari ingezet met Parsifal. Luc Blommers speelde op de vleugel muziekfragmenten uit dit werk en wisselde dit af met toelichtingen.
Daarnaast begeleidde hij de bariton Anthony Heidweiler. Deze zong uit de eerste akte in de rol van Amfortas: "Nein! Lasst ihn unenthüllt" en uit de derde akte "Mein Vater".
Na de pauze hield Kasper van Kooten een causerie getiteld: "Parsifal en Wagners ideaal van Beteiligung".
Kasper behandelde deze vraag vooral aan de hand van een analyse van uitvoeringen van drie werken waar Richard Wagner nauw bij betrokken was. Daarbij liet hij relevante muziekfragmenten horen. De behandelde werken waren: Das Liebesmahl der Apostel, de uitvoering van Beethovens negende symfonie als wijding van het begin van de bouw van het Festspielhaus in 1872 en de Gralenthüllungsszene uit Parsifal; eerste uitvoering in het Festspielhaus, 26 juli 1882.
Een succesvol begin van het jaar!
Neerlandicus en Wagnerkenner Hans Pot analyseerde op 23 februari in een zeer boeiend betoog vanuit verschillende gezichtspunten enkele van de monologen uit Wagners Die Meistersinger von Nürnberg.
Behandeld werden de Wahnmonoloog, de Fliedermonoloog, de slottoespraak van Hans Sachs en het Reinschrift 1862.
Bauke Bergsma speelde de daarbij passende muziekvoorbeelden op de vleugel.
Op 11 maart na de algemene ledenvergadering werd de jaarlijkse stipendiatenavond gehouden. Dit jaar worden uitgezonden mezzosopraan Wieke van Wingerden en de pianisten Wouter Padberg en Ernst Munneke. Tevens was er een optreden van de vorig jaar uitgezonden sopraan Irene Verburg. Uitgevoerd werden de volgende werken:
Einsam in trüben Tagen (Lohengrin), Du bist der Lenz (Die Walküre) door Irene Verburg en begeleid door Ernst Munneke, Ernst Munneke speelde daarna Eine Sonate für das Album von Frau M.W., daarna zong Wieke van Wingerden begeleid door Ernst Munneke de Wesendonck-Lieder, na de pauze zong Irene Verburg begeleid door Erst Munneke Dich, teure Halle en Allmächt'ge Jungfrau uit Tannhäuser. Vervolgens hield Wouter Padberg een korte causerie over het onderwerp ‘Wagner over dirigeren. Deze zeer geslaagde avond werd tenslotte afgesloten door Wouter Padberg en Ernst Munneke. Zij speelden in quatre-mains een bewerking door Otto Singer van de Siegfried-Idyll.
Op Goede Vrijdag 2 april werd traditiegetrouw in het Filmmuseum een DVD van Parsifal
vertoond. Dit jaar was de keuze gevallen op de uitvoering van de Opera van Zürich uit 1996/1997 in regie van Hans Hollmann en met als dirigent Bernard Haitink.
Muzikaal een indrukwekkende uitvoering.
Op 16 en 17 april vond het jaarlijkse studieweekend plaats, zoals altijd in Mennorode te Elspeet. Dit jaar met als het programma ‘Rondom Das Liebesverbot’. Das Liebesverbot is zoals bekend de tweede voltooide opera van Richard Wagner en de eerste die werd uitgevoerd (1836).
De behandelde onderwerpen waren:
Grepen uit het leven van de jonge Wagner ten tijde van het ontstaan van Das Liebesverbot, met muziekfragmenten van de componist uit deze periode door Ton Hogenes;
Wagner en het Europees theater rond 1836 door Paul Korenhof;
Das Liebesverbot nader bekeken door Bauke Bergsma;
Luisteren naar de Eerste akte Das Liebesverbot vanaf cd;
Muzikale invloeden in Wagners Das Liebesverbot door Menno Dekker;
Richard en Minna, de liefde tussen een rusteloze geest en zijn anker door Hilke de Munnik-Mensing;
Tenslotte: luisteren naar de tweede akte van Das Liebesverbot op cd. Hiermee werd een leerzaam en boeiend weekend afgesloten.
Menno Dekker presenteerde op 20 mei op de van hem bekende wijze, als voorbereiding op de komende uitvoering van de Reisopera in Enschede, Die Walküre. Op vleugel en cd leidde hij ons langs de motieven zodat wij gesterkt in het najaar naar Enschede konden vertrekken.
Menno sloot zijn verhaal af met een aantal voorbeelden hoe Wagner geklonken zou hebben door de bril van componisten als respectievelijk Gounod, Verdi en Brahms.
Na de pauze werd de derde scene uit de eerste akte van Die Walküre door Annelies Prins en Olev Roode, aan de vleugel begeleid door Kamelia Miladinova ten gehore gebracht.
Onder de titel “Lohengrin en het regietheater” presenteerde ons lid (en medeoprichter) Fred Lingen op 15 juni de semi-filmdocumentaire "Wiener Staatsoper" met o.a. Johan Botha en Falk Struckmann, alsmede fragmenten uit de recente Lohengrinproductie van de Bayerische Staatsoper met o.a. Jonas Kaufmann. Als toegift vertoonde Fred een fragment uit "Das Brautgemach" door de Wiener Staatsoper met onder meer Plácido Domingo.
Na afloop van de presentatie namen de aanwezigen, met drankje en hapje, in de oude keuken van de Tamboer afscheid van het seizoen en elkaar.
Het nieuwe seizoen werd op 14 september geopend met een lezing door publicist en operakenner Willem Bruls. Het onderwerp was een minder bekend geschrift van Richard Wagner "Halévy und die Französische Oper", daterend van 1842, waarin de schrijver zijn grote bewondering uitspreekt voor de Franse componist Halévy. Zijn bekendste opera is La juive. Echo's van La juive kunnen, aldus Bruls, worden aangetroffen in Wagners Das Rheingold, Siegfried en Die Meistersinger von Nürnberg. Bruls illustreerde zijn betoog met diverse muziekfragmenten.
Op 13 oktober volgde de tweede lezing in de informele minireeks over Wagner en Franse componisten. De musicologe dr. Eveline Nikkels ging in op de relatie Richard Wagner/Hector Berlioz. Zij hield een boeiend betoog over Berlioz en Wagner die beiden onder indruk waren van de opera Der Freischütz van Carl Maria von Weber. Ook Beethovens Negende symfonie vormde voor Berlioz en Wagner een bron van levenslange artistieke inspiratie. Daarnaast leidde Eveline ons langs een aantal andere werken waarin zij ons de muzikale verbanden tussen de beide componisten aantoonde. Een en ander werd door haar geïllustreerd met geluidsfragmenten.
Het ‘In Memoriam Hank Neugarten Herdenkingsconcert’ werd op 2 november door oud-stipendiaat Giusy Caruso gehouden. Gespeeld werden werken Liszt.
Giusy presenteerde in een prachtige uitvoering de volgende werken:
Harmonies poétiques et religieuses: Invocation.
Deux Légendes:
St. Francois d'Assise: La prédication aux oiseaux.
St. Francois de Paule marchant sur les flots.
Zwei Transkriptionen über Themen aus Mozarts Requiem: Confutatis maledictis-Lacrymosa.
Les Années de pèlerinage-Deuxième année: L'Italie.
No 7 Après une lecture de Dante (Fantasia quasi sonata).
Jammer dat door een stroomstoring bij de Amsterdamse tram de belangstelling wat tegenviel.
Pianist en theoloog Luc Blommers verzorgde op 23 november aan de vleugel een muzikale - en deels ook mondelinge - rondgang door Parsifal. Aanleiding was de uitvoering op 11 december van de ZaterdagMatinee in het Concertgebouw door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Jaap van Zweden. Op boeiende wijze gaf hij ons een muzikale analyse van het werk.
Het jaar werd op 14 december afgesloten met Rienzi. In een uiterst interessante lezing nam operakenner en lid Michael H. Eisenblätter deze opera met ons door. Dit betrekkelijk vroege werk verdient meer aandacht! Wel dienen er dan een aantal ‘overbodige’ stukken in de opera geschrapt te worden. Deze grand opéra naar Franse stijl duurt ca 7 uuur, in de huidige uitvoeringspraktijk wordt deze opera tot 2 à 3 uur teruggebracht.
Het bestuur kijkt al met al tevreden terug op het afgelopen jaar, wij hopen de leden ook. ♪home
----------------------------------------
Menno Dekker hield voor een goed gevulde muzieksalon, in huize Tamboer, een inleiding op Wagners Siegfried. Dit deel van de Ring staat in september 2011 bij de Nationale Reisopera op de planken. Net als bij de vorige delen nam Menno de aanwezige belangstellenden mee op reis door het Scherzo van Wagners grote ‘Ring-symfonie’.
Het nu volgende is een impressie van een boeiende tocht door tekst, leidmotieven, akkoorden en de link van Wagner met Beethoven, die zich ook in deze opera niet laat verloochenen. Het is het deel van de Ring des Nibelungen met de humoristische strijd tussen Mime en Siegfried; het bizarre vraag-en-antwoord-spel tussen Mime en Der Wanderer; de confrontatie van Wanderer/Wotan met Alberich en de draak Fafner. De uitroep door Siegfried, bij de aanblik van Brünnhilde: “Das ist kein Mann!”, zorgt meestal voor gegniffel en een enkele (schater)lach.
Wagner karakteriseert het zeurende en neurotische aspect van Mime door een drammerig wiegenliedje, een leuk melodietje dat zich makkelijk laat onthouden. Wat muzikaal het meest hoort bij de figuur van Mime, is het motief dat als eerste klinkt, boven een onderaards trillende pauk. Het zijn samenklanken van twee tonen die door Fagotten worden gespeeld. Het worden geen drieklanken: dat zou te veel structuur en stevigheid betekenen: hier moet het kleinmenselijk gepieker in muziek worden weergegeven. Wanneer Mime in het tweede bedrijf, wordt gedood, klinkt dit motief eveneens, maar breekt het abrupt af.
Elders is er wel een samenklank van meerdere tonen die Wagner meer dan eens laat horen. Hij heeft dat uit het eerste deel van Beethovens Derde symfonie, de Eroïca. Menno legt een verband met het ene akkoord in Le Sacre du Printemps van Igor Stravinky, die via een Russisch getimbreerd Engels sprekende Menno ook nog even voor het voetlicht treedt en, gezeten aan de piano, dat ene fabuleuze akkoord aanslaat dat in de Sacre zo een prominente rol vervult. Het filmpje, waarin de echte Stravinsky dit doet, en waarnaar Menno verwees is te zien op internet. Ga naar:
http://www.youtube.com/watch?v=3vwq1AyYGzo&feature=related
Behalve dat Menno aan de piano diverse passages liet horen, maakte hij gebruik van de CD. Het geheel was wederom een plezierige, leerzame bijeenkomst. ♪home
----------------------------------------
Het Wagnergenootschap viert feest!
![]() |
Zaterdag 4 juni jl. was het dan zo ver. Het Wagnergenootschap vierde op deze stralende dag zijn 50-jarig bestaan. Ruim 150 leden, hun partners en andere genodigden namen deel aan de verschillende activiteiten die plaatsvonden in Filmmuseum EYE en de Vondelkerk te Amsterdam. Vanaf 12 uur tot ongeveer vier uur werden in twee zalen van het museum gevarieerde programma’s vertoond met films waarin Wagner en/of zijn werken de hoofdrol speelden.
Vervolgens verplaatsten de feestgangers zich naar de belendende Vondelkerk waar de prosecco reeds feestelijk in de glazen bruiste en de voorzitter zijn welkomsttoespraak hield.
Daarna was er een optreden van het HOUBLON ENSEMBLE waarvan de vier leden onder de titel Wagners gouden schaakspel een lichtvoetig en speels programma rondom de componist presenteerden dat door het aandachtig gehoor zeer werd gewaardeerd.
Toen was het tijd voor het aperitief dat overging in een voortreffelijk buffet dat met veel animo werd gesavoureerd. Het was tegen half elf toen de laatste gasten de Vondelkerk verlieten en de nog altijd aangename avondlucht opzochten.
Leden van het Wagnergenootschap en overige genodigden!
![]() |
Namens het bestuur van ons jubilerend genootschap heet ik u allen welkom op deze feestelijke dag! Niet eerder in de geschiedenis van het genootschap hebben we mogen meemaken dat zóveel leden op een bijeenkomst aanwezig waren. Maar daar is tenslotte een goede reden voor: het Wagnergenootschap bestaat 50 jaar en dat wilden we vieren. Het bestuur wilde een feestelijke dag en u wilde dat ook, zoals overtuigend blijkt uit uw grote opkomst.
Nogmaals: van harte welkom in deze Vondelkerk!
In de rubriek ‘Berichten uit binnen- en buitenland’ in het algemeen maandblad voor muziek Mens en Melodie van oktober 1961 stond het volgende berichtje:
‘Te Amsterdam is een Wagner Genootschap opgericht (correspondentieadres: Maasstraat 96) dat zich gedurende het eerste seizoen zal bezighouden met het bestuderen van Wagners werken uit de periode 1813-1848, waarin Rienzi, Tannhäuser en Der fliegende Holländer vallen.
Op 30 september 1961 werd de eerste bijeenkomst gehouden, welke geopend werd door de voorzitter H.J. Voeten en waar Bodo Igesz, assistent-regisseur van de Nederlandsche Opera, een causerie hield over de Bayreuther Festspiele van dat jaar, 1961.’
Dat was het eerste levensteken van ons genootschap. Een groepje jonge mensen met belangstelling voor het werk van Wagner besloot hun vriendschapsbijeenkomsten die ze tot dan toe thuis hielden, een minder vrijblijvend karakter te geven door het oprichten van een vereniging. Op vrijdag 2 juni 1961 was het zover. Toen werd in een zaaltje in het American Hotel de oprichtingsvergadering van het Wagnergenootschap Nederland gehouden.
Het eerste bestuur bestond uit Hans Voeten (voorzitter), Klaas Posthuma (secretaris), Fred Lingen (penningmeester) en Achmed Muthalib (commissaris).
![]() |
Er wordt wel eens gedacht dat het Wagnergenootschap een voortzetting zou zijn van de Wagner-Vereeniging (met de 2 e’s!). Maar dat is een onjuiste gedachte.
In de oprichtingscirculaire van die Wagner-Vereeniging, gedateerd 30 augustus 1883, lezen we over de doelstelling:
‘De ondergetekenden, overtuigd dat het wenschelijk is, de kunstminnaars hier ter stede in de gelegenheid te stellen om, meer dan tot heden het geval was, met Richard Wagner’s Dramatisch-Muzikale Werken, die in alle beschaafde landen meer en meer beoefenaars en bewonderaars vinden, kennis te maken, hebben zich te dien einde vereenigd en noodigen hierbij alle vrienden van Wagner’s Muze uit, zich bij hen aan te sluiten.’
De Vereeniging - waarmee de legendarische namen van Julius Carl Bunge en KAREOL zijn verbonden - was dus primair gericht op het doen uitvoeren van Wagners werken.
Daarentegen wordt in artikel 2 van de statuten van het Wagnergenootschap Nederland, de doelstelling omschreven als:
‘de verdieping in de muzikale en cultureel-historische waarden van de werken van de componist Richard Wagner.’
Wij zijn dus een studiegenootschap. Niet meer, niets minder.
Na die allereerste bijeenkomst die zoals gezegd op zaterdag 30 september 1961 plaatsvond, werden in het eerste seizoen 1961/62 liefst 12 bijeenkomsten gehouden met lezingen en concerten, live of op grammofoonplaten. Het was de tijd waarin de langspeelplaat aan zijn opmars begon, die intussen al weer vele jaren is afgelopen!
Het was al meteen in dat eerste jaar dat de zwaan geboren werd die tot op de huidige dag het logo van het genootschap is gebleven en het voorblad van ons blad Wagner after all siert.
Dat was het begin van een lange reeks studiebijeenkomsten over tal van aspecten en achtergronden van het werk van Richard Wagner. In de loop van de daaropvolgende 50 jaar zouden er nog ruim 320 bijeenkomsten en sedert 1981 23 studieweekends volgen.
Voorwaar, een studieus gezelschap!
De plaats waar wij de meeste van die bijeenkomsten plegen te houden is sinds een lange reeks van jaren de stemmige ambiance van Huize Tamboer aan de Overtoom te Amsterdam, grenzend aan het Vondelpark. Een speciaal woord van dank aan gastvrouw Gini en gastheer Kees Tamboer is dan ook niet meer dan een daad van eenvoudige gerechtigheid.
En ik maak van deze gelegenheid gebruik om ook de leiding van MUSICO REIZEN dank te zeggen en wel voor hun jaarlijkse bijdrage in de kosten van uitzending van onze stipendiaten naar de Bayreuther Festspiele
Over studiebijeenkomsten gesproken: de onderwerpen daarvan worden nog steeds voor het grootste deel verzorgd door leden van ons genootschap, dat in de loop van die 50 jaar zijn ledenbestand zag klimmen van 30 leden naar 330 nu.
In de loop van die 50 jaar zijn er - mijzelf niet meegerekend – vier voorzitters geweest die zich, elk op hun eigen wijze en in hun eigen stijl, hebben ingezet voor de verdere uitbouw van het genootschap.
Ik noem hier hun namen: Hans Voeten, francofiel, erudiet en bedachtzaam, die al na één jaar werd opgevolgd door de econoom Herman Hoelen, kenner van oude stemmen en Wagneranalyticus tot op het bot, hij hanteerde de voorzittershamer liefst 32 jaar (ja, dat kon toen nog!), na hem kwam de filosofische en theologiserende dominee Bert Bavinck en tenslotte Hank Neugarten, springerig, extravert en zakelijk, die anderhalf jaar geleden, nog in functie, betrekkelijk plotseling kwam te overlijden.
Ach, hoezeer keek Hank toen al uit naar deze dag en hoe graag had hij hier vandaag willen staan en hoe graag had ik gewild dat hij - en niet ik - hier vandaag had kunnen staan. Het mocht niet zo zijn.
Aan elk van deze vier markante figuren is het genootschap dank verschuldigd voor de wijze waarop en het succes waarmee zij gestreefd hebben naar het voortbestaan en de groei van een bloeiend gezelschap dat er niet primair op gericht was aan de weg te timmeren, maar dat de reden van zijn bestaan vooral zocht in de kwaliteit van de voordrachten en van de artikelen voor het verenigingsorgaan. Wagner after all is zeker niet mooi is in de zin van glossy of hip of iets wat daar ook maar in de verste verte op lijkt, maar wel mooi in de zin van beoogd kwalitatief hoogwaardig. En we zijn niet alleen dat uitgangspunt trouw gebleven maar ook de zwaan op de voorpagina en zelfs het nietje linksboven (ook al hebben we het daar in het bestuur wel eens over …).
Herman Hoelen en zijn Claar zijn wij ook speciale dank verschuldigd voor de royale wijze waarop zij na hun dood het genootschap in hun testamenten bedacht hebben. Het is dan ook vooral aan hen te danken dat wij dit jubileum wat uitbundiger kunnen vieren.
Het bestuur heeft ter gelegenheid van deze dag een jubileumboek het licht doen zien dat werd samengesteld door een vierhoofdige redactiecommissie uit de leden. Het inleidende TEN GELEIDE werd op ons verzoek geschreven door erelid Hartmut Haenchen.
De inhoud van het boek is ook nagenoeg van de hand van leden, uit heden en verleden, het bevat nieuwe stukken maar ook een grote keuze uit wat waardevol is gebleken in het verleden.
Het is dus, zoals een jubileumboek betaamt, vooral een terugblik op vervlogen jaren, op wat we dachten, op wat we deden.
In het boek treft u ernst en luim aan, zoals het stempel van de Inspecteur der Gemeentebelastingen Amsterdam van 8 oktober 1970 waarmee de bijeenkomsten van het Wagnergenootschap op grond van hun opzet en inhoud niet als vermakelijkheden werden bestempeld en derhalve waren vrijgesteld van vermakelijkheidsbelasting.
Wij zijn de redactiecommissie van het boek zeer erkentelijk voor de grote hoeveelheid arbeid die zij het afgelopen jaar verzet heeft.
Wij spreken ook dank uit aan het adres van degenen die de omslag en de illustraties in het boek hebben geleverd: Fred Blei, Jan van Heiningen, Dirk Lemmens en Wilma van der Vliet.
En dan gaat onze speciale dank natuurlijk uit naar het Prins Bernard Cultuurfonds, dat met een genereuze bijdrage in de kosten, het boek financieel mede mogelijk gemaakt heeft. In dit verband past ook een bijzonder woord van dank aan ons erelid Hans Pot, een van de leden van het genootschap van het eerste uur. Hij had hier vandaag zó graag bij willen zijn maar helaas, gisteren kregen we het bericht in mineur dat hij te ziek is om te reizen en hier te zijn.
Het jubileumboek wordt begin volgende week door de drukker aan alle leden en genodigden toegezonden.
Maar toch wil ik hier en nu symbolisch enkele eerste exemplaren uitreiken aan het kleine groepje Wagnerianen van het eerste uur dat nog in ons midden is en vandaag hier aanwezig.
Ik zou daarom Fred Lingen, Wil Vredenbregt, Han Bosch en Ernst Arp willen uitnodigen even hierheen te komen om de eerste exemplaren van het boek in ontvangst te nemen.
![]() |
Dames en heren, ik ben bijna aan het eind van mijn verhaal gekomen. Maar nog niet helemaal. En het spijt mij zeer dat ik op deze vreugdevolle dag in enigszins mineur moet eindigen.
Zoals u weet is het volgende programmaonderdeel een concert onder de intrigerende titel WAGNERS GOUDEN SCHAAKSPEL dat gegeven zal worden door het HOUBLON ENSEMBLE.
Dit ensemble zou zoals u in het eerder toegezonden programmaboekje ziet, bestaan uit de sopraan Marike Verbeek, bas-bariton Martijn Hop, acteur Howard van Dodemont en … pianist Peter Beijersbergen van Henegouwen.
Maar helaas, Peter zal er vandaag niet bij zijn. Hij is kort geleden ziek geworden, heel ziek.
Hij kan daarom vandaag onmogelijk optreden en is op het laatste moment vervangen door pianist Bert Mooiman. Wij zijn Bert uiteraard zeer dankbaar dat hij het doorgaan van dit concert mogelijk maakt.
Dit bracht echter wel met zich mee dat het bij de repetities wenselijk bleek een paar wijzigingen aan te brengen, vooral in de volgorde der stukken.
Daarom heeft u zojuist bij binnenkomst een nieuw programma ontvangen (resp. op uw stoel aangetroffen) alsook de c.v.’s van de vier leden van het HOUBLON ENSEMBLE. Wij hopen dat u daarvoor begrip heeft.
En thans nodig ik u uit om te gaan luisteren en kijken naar WAGNERS GOUDEN SCHAAKSPEL! ♪home
----------------------------------------
Dit voorjaar vond wederom op conferentiecentrum Mennorode in Elspeet het, inmiddels 24e, studieweekend plaats. Van de grote werken was de Lohengrin in het verleden slechts eenmaal eerder aan de orde geweest, namelijk in 1997. Alle reden dus om hier weer eens de tanden in te zetten. Dit bericht bedoelt primair verslag te doen van het aangeboden programma en de kernthema’s van de diverse inleidingen, anderzijds dient bedacht te worden dat mijn aantekeningen toch selectief en nimmer compleet zijn; naast deels woordelijk overgenomen teksten van de inleiders heb ik mij evenwel ook bezondigd aan eigen tekstexegese.
Na het welkomstwoord door onze voorzitter Ton Hogenes volgde de gebruikelijke muzikale aftrap met het voorspel 1e akte.
![]() |
De eerste inhoudelijke bijdrage was meteen al een flinke kluif. Het referaat “Muziek tussen hemel en onderbuik: dramatische klanksferen in de Lohengrin-voorspelen” van ons lid Kasper van Kooten deed vele hersenen kraken. In plaats van de meer gebruikelijke en zeker de Wagnerianen bekende muzikale analyses via Leitmotive, werd de muziek nu benaderd vanuit de klankdramaturgie met toonsoorten, registers en klankkleuren. Binnen hetzelfde werk komen meerdere dramatische klanksferen aan bod: tegenstrijdige werelden in het drama (bijv. Lohengrin-Elsa, resp. Ortrud-Friedrich) spelen zich ook af binnen andere klankwerelden. In dit verband is bijvoorbeeld te wijzen op de hoge klankkleur van het 1e voorspel, in tegenstelling tot het lage, sombere van het 2e voorspel. Gezien wat er daarna komt in de aktes, is het verschil eenieder duidelijk. Die verschillende klanksferen zijn veelal opgebouwd uit eenvoudige basiselementen die echter door de componist zo geraffineerd zijn ingezet dat ze een magisch effect bewerkstelligen. Kasper attendeerde ons op de daarbij van belang zijnde muzikale parameters zoals toonkleur, aanslag, ritme, toonduur, toonhoogte, toonsnelheid. Ook uiterst effectief is het inzetten van de klankboogtechniek; bijvoorbeeld door te spelen met de expansie van de orkestomvang, het laag beginnen en geleidelijk naar hoog gaan met meer forte, het van een hoog naar een laag register gaan of omgekeerd, het verwerken van crescendo’s en decrescendo’s. Na 1,5 uur hersenkraken lagen met name de minder muzikaal geschoolden in de touwen, maar deze minder gebruikelijke benadering was boeiend tot de laatste minuut.
Het eerste programma van de middag werd verzorgd door Bauke Bergsma met een “Nadere beschouwing van de tekst, muziek en achtergronden van de scènes 1 en 2 uit de 2e acte”. Zoals we dat gewend zijn van Bauke betekende zijn voordracht een integrale benadering en analyse van libretto en muziek met betrekking tot kerndelen van het muziekdrama. Het uitvoerige, in 1845 in Marienbad ontstane, Prosaentwurf toont weer eens aan hoe informatief deze teksten zijn voor het juiste begrip dat Wagner in zijn werken voor ogen stond. Vervolgens nam Bauke ons zowel qua tekstinterpretatie als muzikaal gedetailleerd mee door de zo cruciale 1e en 2e scènes van de 2e acte. Diverse muzikale frases en thema’s verduidelijkte hij ook op de piano. Meerdere motieven en akkoorden blijken we later in al dan niet gewijzigde vorm weer tegen te komen in de Ring en Parsifal. Dergelijk uiteenrafelen van de composities vergroot op gedegen en plezierige wijze het inzicht. Dat is ook het doel van zo’n studieweekend. Een lang applaus was dan ook Bauke’s deel.
Heel informatief was ook het tweede deel van de middag waarin het Hoofd Dramaturgie van de Nederlandse Opera, Klaus Bertisch, uitvoerig de positionering van de postromantische, tevens nationalistische, 19e eeuwse opera uiteenzette en Wagners inpassing hierin van de thematiek van de zwaan.
![]() |
In de 19e eeuwse Midden-Europese statenverzameling gold het nationalisme als een progressieve, vooruitstrevende kracht omdat daarmee naar één verenigde staat werd gestreefd. De weg van oude verhalen en structuren naar een nieuwe zakelijke, rationele ordening. De vroege opera Lohengrin past in de toenmalige politieke en revolutionaire opvattingen van Wagner. Later dacht hij er anders over. Eind 19e eeuw is dat Duitse nationalisme zoals bekend uit de hand gelopen en in de 20e eeuw zijn we hier - eufemistisch gezegd - beduidend genuanceerder over gaan denken. De zwaan als orakeldier komt al vanaf de Romeinse tijd constant terug in de literatuur en muziek. Ook het element van een godsgericht na vermeend overspel komt al voor in middeleeuwse kruisridderromans. Zoals gebruikelijk maakte Wagner uit de vele andere bestaande teksten zijn eigen verhaal. Het was voor mij een nieuwtje dat in de Edda de vrouwelijke Walküren halve zwanen waren en vandaar in vele ensceneringen tot op de dag van vandaag zij van vleugels zijn voorzien. Behalve het mystieke element speelt het zwaanthema ook in op de politieke tegenstelling: irrationaliteit/wonderbaarlijkheid versus rationaliteit en schijn versus waarheid. Dit vindt in de opera zijn weerspiegeling in de betoverde positie van Gottfried en de verhoudingen tussen de esoterische, gelovige Elsa en de irrationele Lohengrin versus de berekenende Ortrud en de eerzuchtige, machiavellistische Friedrich. De tegenstelling tussen ridderpoëzie en een moderner wereldbeeld. Klaus Bertisch wist ons allen in zijn politiekhistorische en literairdramaturgische benadering geboeid mee te nemen op zijn reis door de tijd en de vele interpretaties rondom het zwaanthema. Het lijkt wel alsof een dramaturg bij een groot operahuis werkelijk alles weet.
Het zaterdagavondprogramma met een grote variëteit aan geluids- en filmfragmenten werd verzorgd door Johan Maarsingh. Oud en recent, zwart/wit en kleur, stereo en mono, alles wisselde op attractieve wijze elkaar af. Een eeuw Wagnerregistraties trok aan ons voorbij.
Pas na 22:00 uur mochten/wilden we naar de bar voor het roemruchte Zaterdagavondvertier. De gelegenheid voor gezellige en vriendschappelijke gesprekken.
De zondagochtend was ingeruimd voor Machiel Keestra van de Universiteit van Amsterdam met zijn bijdrage “Nie sollst du mich befragen – grondeloosheid en vertrouwen in Wagners Lohengrin”. Na de eerdere bijdrage van Klaus Bertisch was het fascinerend om nu van Machiel Keestra een brede psychologisch-filosofische analyse te vernemen. Beide inleidingen sloten prachtig op elkaar aan. Deze in hoog tempo verlopen 2½ uur zijn onmogelijk in zo’n kort bestek samen te vatten. Ik kom slechts tot enkele notities die me persoonlijk het meest zijn bijgebleven.
Ten tijde van de Lohengrin was Wagner al bezig met de uitwerking van zijn ideeën over het Gesamtkunstwerk. Hij zag in de figuur van Elsa ook het ontvankelijke karakter van de kunstenaar. Zij onttrekt zich aan het gerecht door gebed (Friedrich: “ihr träumerischer Mut”); vermijdt het conflict. De zakelijke, recht op zijn doel afgaande Friedrich uit zich in geheel andere sfeer. De irrealistische Elsa denkt aanvankelijk dat ze aan de cruciale vraag kan voldoen: “Nie, Herr, soll mir die Frage kommen". De figuur van ‘onmogelijke vragen’ komt herhaalde malen voor in mythologische verhalen, vgl. ook bij Oidipus. De ‘verboden’ vraag betekent om Lohengrin te accepteren zoals hij is, zonder allerlei rationele achtergronden te weten. Door het stukje zelfonthulling door de ridder zelf, wordt Elsa’s wantrouwen juist gevoed. Als hij komt uit “Glanz und Wonne” zal het hem hier en bij haar wel tegenvallen en wil hij dan wel bij mij blijven? Kun je niet meer onthullen of verduidelijken? Lohengrin geeft niet meer thuis: “getrennt, geschieden sollen wir uns sehen”. Nee, zo werkt dat natuurlijk niet in een relatie. De psychologische mismatch tussen Elsa en Lohengrin is ook bedoeld in de regie tot uitdrukking te komen: in hun wederzijdse acceptatie c.q. inhoudelijke relatie vindt geen verdieping plaats, het blijft schone schijn. Bij de vroege Wagner (alleen bij de vroege W?) komt de vraag aan de orde van hoe kan een individu zijn plek vinden om geaccepteerd opgenomen te worden in de gemeenschap. Het is een hoofdthema in zowel Der Fliegende Holländer, Tannhäuser, als Lohengrin. Interessant is de parallel tussen Lohengrin-Elsa en Zeus-Semele. Ook Semele erkent dat zij de ware natuur van Zeus niet kent en ondanks dat ze weet dat de onthulling daarvan een catastrofale uitwerking zal hebben, gaat ze wegens gebrek aan werkelijkheidsbesef regelrecht op haar ondergang af. Ach, auch die Elsa!
![]() |
Naar zijn mening was de Duitse wereld niet rijp voor een kunstenaar als hij, Richard Wagner. “Elsa, das Weib hat mich zum vollständigen Revolutionair gemacht. Elsa war der Geist des Volkes nach dem ich auch als künstlerischer Mensch zu meiner Erlösung verlangte”. De kunstenaar blijft in de eenzame positie van de profeet die de waarheid zegt, maar het volk verstaat hem niet.
Hier komt aan de orde de relatie tussen kunst en gemeenschap, resp. kunst en kennis. Men streefde in de 19e eeuw naar een nieuwe vorm van kunst en politiek. De kunstenaar heeft de bijzondere vaardigheid om te verzinnebeelden dat wij terugkeren naar de onderliggende waarheden van de oude mythologie, die normaal niet tot ons doordringen. Volgens Nietzsche en Wagner is muziek een andere manier om tot de werkelijkheid te komen. Theater en muziek versterken de gemeenschappelijke ervaring en zijn daarom leerzaam en een goede zaak. Daarbij herleeft de discussie van Plato, Aristoteles en de renaissance over schijn en werkelijkheid. Het gaat er nu echter om een nieuw rationeel inzicht te verwerven. Toch blijkt dat niet iedereen die meegezogen wordt in die ontwikkeling bereid of in staat is de nieuwe rationaliteit af te leggen. Ortrud uit zich onverwachts als een reactionaire rebel die zich verzet tegen het moderne en roept dan de oude goden aan: Wotan en Fricka. “Entweihte Götter! Vernichtet der Abtrünn’gen schnöden Wahn!”
De ochtend vloog voorbij en Machiel’s uiteenzetting liep een half uur uit. Een dergelijke kwalitatieve cultuurhistorische en psychologisch/filosofische beschouwing over Wagner, diens werken en zijn tijd hoor je toch maar zelden. Allen, waaronder in ieder geval uw scribent, hebben gesmuld.
Na de lunch nam bestuurslid Hilke de Munnik-Mensing ons mee naar de première van de Lohengrin op 28 augustus 1850 onder de titel “Lohengrin in Weimar: de nieuwe weg”. Aan de hand van teksten en briefcorrespondenties uit die dagen schilderde zij de omstandigheden rondom die première. Uitvoerig kwam het toenmalige artikel in de Neue Zeitschrift für Musik van de muziekcriticus Theodor Uhlig aan de orde die met voorbeelden aangaf waarom deze opera in zijn ogen zo revolutionair was. Aansluitend werd als contrast een fragment getoond uit de grand opera Les Huguenots van Meyerbeer met de sopraan Joan Sutherland in de hoofdrol. Het is bekend dat Wagner zich om meerdere - deels begrijpelijke, deels zeer onterechte en niet acceptabele - redenen van dit en soortgelijke werken heeft afgekeerd. Het is altijd boeiend te ervaren hoe tegengestelde stromingen in eenzelfde tijdsperiode, dus min of meer gelijktijdig, zo verschillend vorm en inhoud weten te krijgen. Alle deelnemers aan het weekend realiseerden zich dat een dergelijke presentatie slechts tot stand kan komen na uitvoerig en langdurig bronnenonderzoek en waren Hilke daar dan ook zeer dankbaar voor.
Het weekend werd op de traditionele manier afgesloten met het geconcentreerd beluisteren van de 3e acte Lohengrin op CD.
Voorzitter Ton Hogenes bedankte alle inleiders, de leden van de organisatiecommissie bestaande uit Bauke Bergsma, Johan Maarsingh en Kasper van Kooten en ook alle deelnemers die zo alert en betrokken deze dagen hebben laten slagen.
Naast uiteraard de meer directe muzikale verdieping in Wagners werken, zijn juist ook de inhoudelijke en achterliggende analyses de redenen om lid te willen zijn van een vereniging als het Wagnergenootschap. Maandelijks wordt ons als leden een welhaast altijd interessant avondprogramma aangeboden, maar de studieweekenden - zoals ook deze over de Lohengrin - zijn toch wel echt unieke ervaringen. De gedeelde passie leidt tijdens deze dagen ook tot een fantastische sfeer met goede gesprekken en vriendschappen. Het is een onderdeel van het lidmaatschap om te koesteren. ♪home
----------------------------------------
Verslag/samenvatting: Leo M. Cornelissen
De gezaghebbende muziekjournalist Paul Korenhof, was al vaak bij ons te gast en hij heeft in de loop der jaren een groot aantal lezingen verzorgd over een veelheid van onderwerpen. Ditmaal vergaste Paul ons op een uitgebreide causerie, ondersteund met beeld- en muziekmateriaal, over de immense invloed van Wagner in de 19e en 20e eeuw. Met deze keer de aandacht niet gericht op de muziekwereld, maar juist daarbuiten.
Beeldende kunst
![]() |
| Waterhouse: The Love Potion |
Wagners invloed is in de beeldende kunst duidelijk waarneembaar. Zoals bij Beardsley, Collier en Donald Duck, om maar een paar verschillende grootheden te noemen. Wagners invloed is op gang gekomen door zowel zijn sterke persoonlijkheid als de kracht en impact van zijn werken op het brede publiek. Bedacht moet echter worden dat historische onderwerpen en sagen & legenden 2e helft 19e en begin 20e eeuw erg in de algemene belangstelling stonden. Deze thema’s zaten a.h.w. al in de lucht. Het was ook de tijd van de nationale eenwordingen van meerdere Europese landen, Duitsland voorop. Al voor de opkomst van Wagner was deze stof de verbeeldingswereld van de Engelse Pré-Rafaeliten en later de symbolisten. Grote kunstenaars in dit verband: Rosetti, Waterhouse (The love potion), Collier (In the Venusberg), Beardsley (Venus and Tannhäuser, Isolde). Wagner was absoluut een kind van zijn tijd en onderdeel van de brede 19e eeuwse culturele opvattingen. We moeten dus oppassen en niet te snel het Wagneretiket plakken op dergelijke 19e eeuwse kunstuitingen. Deze mythen en sagenwereld, en dus ook Wagners operastof, zijn in de beeldende kunst geweldig geromantiseerd en de populariteit van zijn werken heeft die ontwikkeling zeker extra stimulansen gegeven.
PK bestempelde de periode tussen 1847 (Lohengrin) en 1851 (start Ring) als de belangrijkste jaren van Wagners leven. Het zijn de jaren van de grote theoretische werken. Hij zet eerst zijn principes en theorieën op papier om die later met grote kracht praktisch en theatraal uit te werken in zijn muziekwerken en wel op extreme wijze (‘het emotionaliseren van het intellect’). Wagners opera’s beantwoorden dus 1 op 1 aan zijn ideologische visies en qua thematiek passen ze volledig in de 19e eeuwse tijdgeest.
Film
![]() |
Wagner komen we ook in de film tegen, met grote regelmaat zelfs. Zoals Vivaldi, clichématig gesproken, vroeger altijd te horen was bij droevige gebeurtenissen, zo wordt Wagner te pas en vooral te onpas, als begeleidingsmuziek opgevoerd bij oorlogs- en geweldsscènes. Een werk als Coppola’s ‘Apocalypse Now’ kent heel wat metaforen en parallellen met het werk van Richard Wagner. Repeterende filmische elementen vergelijkbaar met de leitmotivensyste-mathiek, accumuleren de spanning en het gevoel van de horror!
Literatuur
![]() |
In de literatuur is Wagners invloed eveneens onmiskenbaar, vooral in de Franse en Engelse. Zola, met zijn analoge systematiek van het herhalen van woorden (waarbij Zola zelf al de verwijzingen naar Wagner maakte!) en Verlaine met zijn gedichten (Ludwig II, Parsifal, Saint Graal). In 1922 verscheen Thomas Elliot’s ‘The Wasteland’. Daarin is sprake van een overvloed aan citaten en verwijzingen naar Wagners werk. Het is een moderne sage waarin de moderne maatschappij wordt aangevallen. Het sluit aan bij het morele verval van de moderne wereld zoals die gevoeld werd door cultuurpessimisten tijdens en na ‘the great war’. D.H. Lawrence ‘The Tresspasser’ (1912) zit vol met verwijzingen naar Wagners werken (Siegmund, Siegfried, Tristan). Ook in James Joyce’ ‘Finnegans’ Wake’ (1939) komen allerlei verbasterde wagner-namen voorbij, zoals Mudheeldy Weesindonk.
Het is slechts het topje van de ijsberg. Wagners literaire en theatrale aanpak is veelvuldig gekopieerd. Ook Mulisch heeft er bij zijn ‘Stenen Bruidsbed’ naar gekeken.
De relatie tussen Wagner en de Duitse literatuur is natuurlijk wel een heel bijzondere. Nietzsche is ondenkbaar zonder Wagner. De componistauteur Wagner komt permanent in Nietzsche’s werken aan de orde: de eerste jaren ongekend positief, als later in een werkwaardige mengeling van sterk negatief, maar toch ook weer positief. Wagners invloed op de grote filosoof en diens denken is ongekend geweest. Deze bestempelde zijn ontmoeting met Wagner dan ook als de belangrijkste gebeurtenis uit zijn leven! Een dergelijke constatering zou je ook kunnen treffen ten aanzien van Thomas Mann. Die stond op zijn beurt sterk onder de invloed van zowel Wagner als Nietzsche. Mann’s eerste werken tonen alle duidelijk de lijn naar Wagner; ook parodisch: Wälsungenblut, Der kleine Herr Friedemann, Tristan. Het sterkst in Volsungenblut: hier past Mann als dramatische functie op literaire wijze, de Leitmotive toe (bijv. 5x het gebruik van het woord “plooien” en zelfs 9x “handen vasthouden”) en voert hij de tweeling Siegmund en Sieglinde op. De gondelvaart in Mann’s ‘Tod in Venedig’ is rechtstreeks afkomstig uit Wagners verslag van zijn belevenissen in Venetië in zijn biografie ‘Mein Leben’. In Mann’s latere werken is Wagners invloed duidelijk minder direct.
Wagners invloed op de Nederlandse literatuur mag ook niet veronachtzaamd worden. Willem Kloos maakte een thans antiquarisch nog steeds fel begeerde metrische vertaling van de ‘Ring des Nibelungen’; dat werd ‘de ring van de neveling’. Frederik van Eeden nam enorm afstand van Wagner. Muzikaal was hij wel positief over hem, maar hij was gekant tegen diens literaire producten en vond ze van slechte kwaliteit. Marcellus Emants schreef een verslag van de eerste Ringopvoering in Bayreuth in Het Vaderland en neemt in zijn ‘Fanny’ ook afstand. Hij is daarin veel kritischer dan Thomas Mann. Wagners muziek werkt desastreus uit en Emants verhaal eindigt met de zelfmoord van de hoofdpersoon. Frans Coenen was op zijn beurt weer veel positiever.
Concluderend kan gesteld worden dat Wagner in ons land als literator over het algemeen minder goed is gevallen. Van invloed daarbij is dat het Nederlandse taalgebruik sinds de 19e eeuw sterk is veranderd en de teksten uit die tijd niet meer goed leesbaar zijn. Couperus en Emants zijn daarbij de uitzonderingen. De enthousiaste receptie van Wagners muziek in ons land heeft dat echter niet in de weg gestaan.
Overige invloeden
De grote en brede invloed van Wagner op andere maatschappelijke fenomenen, buiten de directe muziekwereld, is duidelijk waarneembaar en op velerlei terreinen:
De invloed van Wagner op het theatergebeuren is op vele terreinen en op allerlei manieren gigantisch geweest. Op de Wagner-dirigenten en regisseurs van zijn tijd en direct daarna, op de huidige generatie dirigenten en theatermakers, op de structuuropvattingen over het fenomeen opera, op het acteren en de regie (net zoals dat bij Verdi het geval was), op de bouwkundige opvattingen over theaterbouw en zaalinrichting, de introductie van het zijwaarts kunnen bewegen van de coulissen, het dwingen van het publiek om het voorspel te beluisteren. Dergelijke ingrijpende initiatieven en moderniseringen waren er talrijke en ze werken tot op de dag van vandaag door, internationaal over de gehele wereld.
Hoewel we halverwege de avond gehandicapt werden door een uitvallende beamer en dus de nodige te projecteren afbeeldingen moesten missen, was het een zeer boeiende en geslaagde bijeenkomst. Paul Korenhof kreeg dan ook een welverdiend en zeer gemeend applaus. ♪ home
----------------------------------------
Wagner belicht vanuit het orkest
door Johan Maarsingh
Die leden van het Wagnergenootschap die woensdagavond 23 november 2011 niet naar de Tamboer kwamen, hebben hopelijk op andere manieren een boeiende avond gehad. Zij zijn echter een enthousiast verhaal over vele onbekende facetten in de partituren van Wagner misgelopen. De sprekers, beiden orkestmusicus, zijn bevlogen vertellers en hebben een passie voor deze componist.
Tonni Kievits is trompettist in Het Gelders Orkest, Wouter Schmidt is sinds een aantal maanden schnabbelend musicus bij diverse orkesten en zo heeft hij, hetzij als violist, hetzij als altviolist, grote kans mee te spelen als er een Wagneropera op de lessenaars staat. In vrijwel al deze opera’s worden meer strijkers gevraagd dan het aantal waarover een orkest in de regel beschikt. Voor een trompettist ligt een Ring niet of nauwelijks in het verschiet, elk orkest heeft er genoeg.
![]() |
Pas bij een Lohengrin zijn er extra blazers nodig. Op het toneel moet er een aantal korte, maar zeer belangrijke passages gespeeld worden bijvoorbeeld de lang klinkende aanzwellende tonen aan het begin van de eerste akte.
Toni heeft zich echter verdiept in een aantal bijzondere instrumenten, zoals de Holztrompete, een lange houten trompet die een beetje lijkt op de trompetten die Verdi gebruikt in zijn opera Aida. Deze Holztrompete klinkt wanneer de Herder getuige is van de komst van Isolde in Kareol (derde akte Tristan und Isolde). Hij heeft dit instrument bespeeld tijdens de uitvoeringen van Tristan bij DNO en het Gergiev Festival. Toni heeft verder een verhaal gehouden over de stierhoorn en had er ook een meegenomen. Het instrument ziet er niet uit als een hoorn van een stier: het behoort tot het koper en is eigenlijk een soort vuvuzela, geen ding dat je een stier gunt om op zijn kop te moeten dragen. In de Amsterdamse productie van de Ring des Nibelungen zijn alpenhoorns gebruikt, bekend van het Midwinterblazen. Raar, want in de televisiedocumentaire over de door John Culshaw geproduceerde plaatopname van Götterdämmerung (Decca 1964, dirigent: Sir Georg Solti) is de stierhoorn wel te zien. Bovendien is er een foto met dit instrument afgedrukt in het door Culshaw geschreven boek over de deze studio-opname van de gehele tetralogie Ring resounding [London 1967] naast blz. 193. Wagner schrijft ze voor in Die Walküre, in de scène van Hunding in het tweede bedrijf, waar hij met Siegmund gaat vechten. Het meest prominent zijn ze te genieten in de tweede akte van Götterdämmerung als Hagen zijn Sippen naar zich toeroept.
Wagner schrijft voor de altviolen muziek die op zichzelf weinig spectaculair is, maar in combinatie met het totale orkest zeer goed passend. Zo hebben de altviolisten een fraaie duidelijk waarneembare bijdrage in Die Walküre als Sieglinde in angst afwacht hoe Siegmund en Hunding elkaar zullen ontmoeten voor de strijd op leven en dood.
![]() |
De avond was veel te snel ten einde. Het zou leuk zijn deze musici nog eens te vragen naar hun Wagnerbelevenissen. ♪ home
----------------------------------------
Parallellen in het werk van Heinrich Heine en Richard Wagner
Lezing van Herman Jeurissen in de Tamboer op 13 januari 2012
Impressie/Aantekeningen: Leo M. Cornelissen
![]() |
Reeds voor zijn bezoek aan Parijs in 1839 kende Wagner het werk van Heine.
Tijdens Wagners verblijf aldaar hebben de dichter en de jonge musicus elkaar ook ontmoet. Zo rond 1840 is Wagner idolaat van Heine. Deze bewondering van de taalgevoelige Wagner voor de eminente Duitse essayist en episch-lyrische dichter kreeg natuurlijk ook een extra impuls door de gedeelde belangstelling voor moderne politieke verhoudingen. Ook Wagner stond achter de ideeën van Junges Deutschland. Met Heinrich Laube, een der leidende figuren binnen deze radicale literaire en politieke beweging, was hij al tijdens de ontstaans-geschiedenis van Das Liebesverbot in 1834 bevriend. Deze bewondering klinkt door in Wagners novellen uit die tijd die in Parijse bladen verschijnen. Ook Heines ‘Les deux Grénadiers’ wordt door hem op muziek gezet. In 1841 volgt Wagners hartstochtelijke verdediging van de uit Duitsland verdreven dichter in de Dresdner Abendzeitung.
Later echter ergert ook Wagner zich aan Heines satirische, parodistische en ironische schrijfstijl, juist de karakteristieken waardoor Heine tot op de dag van vandaag nog altijd zo leesbaar is gebleven.
![]() |
M. D. Oppenheim: Heinrich Heine |
In 1843 verschijnt Heines satirisch gedicht ‘Atta Troll’. Hierin versmelt het personage van Salomé in dat van haar moeder Herodias en is zij het die om het hoofd van Johannes de Doper vraagt. Daarom moet ze tot de dag van het laatste oordeel verdoold rondzwerven, in wilde jacht, lachend en met het hoofd van Johannes. Deze persoon en haar karakteristieken staan duidelijk model voor Wagners figuur van Kundry in Parsifal.
Allerlei personen die Wagner serieus overneemt in zijn opera’s, zijn figuren die door Heine in zijn werken worden geparodieerd (Nornen, Barbarossa als wedergeboorte van Siegfried), wat Wagner fors irriteert. Heine spot ook op ander terrein met van alles dat Wagner heilig is. Heine zag niets in de Duitse eenheid. Wagner juist wel, beïnvloed door een sterk nationalistisch gevoel. Wagner zet zich nu in toenemende mate af en we horen hem niet meer over Heine.
In 1848, ten tijde dat Wagner bezig is met de conceptie van zijn Ring, stort Heine in. Een jaar later moest Wagner Duitsland ontvluchten. De twee hebben elkaar daarna niet meer ontmoet en er waren ook geen verdere contacten. Toch is het frappant dat beiden min of meer gelijktijdig, maar dus onafhankelijk van elkaar, werkten aan teksten over de Walküre. Dat Wagner allerlei elementen uit zijn werk overnam was Heine bekend en hij heeft daar ook op bedekte wijze over geschreven.
Heine zelf had een lang slepend ziekbed voordat hij begin 1856 overleed en trad daardoor in zijn laatste levensjaren wat minder op de voorgrond.
Wagner was toen 42 jaar en had, nog afgezien van zijn irritaties over de opvattingen en schrijfstijl van Heine, inmiddels nog meer redenen om afstand te bewaren: enerzijds zijn in de loop der jaren sterker gegroeide antisemitisme, anderzijds het duidelijke besef dat het niet in zijn belang was verder uit te dragen dat hij toch wel erg schatplichtig was aan deze man. Holländer, Tannhäuser en Lohengrin waren op dat moment op de planken uitgevoerd, maar alle andere werken moesten nog komen. In de latere herdrukken van Mein Leben bracht Wagner stelselmatig de rol en invloed van Heine op hem en zijn werk terug.
De gehele invloedsperiode van Heine op Wagner was dus al lang afgesloten voordat in 1863 Cosima op het toneel kwam. In haar dagboeken, die in 1869 beginnen, komt Heine dan ook niet meer voor. Het blijkt geen gespreksonderwerp meer te zijn geweest tussen de echtelieden. Het was trouwens kenmerkend voor Wagner dat hij in latere jaren de grote invloed van zijn tijdgenoten, die hij als bron voor zijn werken had gebruikt, categorisch verzweeg en zich rechtstreeks beriep op door hem geraadpleegde oude, oorspronkelijke bronnen. En dat terwijl destijds het van elkaar overnemen van literaire en muzikale teksten en thema’s en die dan op eigen wijze inpassen in eigen werk heel gewoon was. Zijn uitgebreide bibliotheek spreekt in dit verband ook boekdelen.
Herman Jeurissens boeiende voordracht hield de leden van begin tot eind in zijn ban. Hij is ook een zeer belezen man en doorspekte zijn betoog met allerlei citaten en maakte allerlei dwarsdoorsteekjes in de Duitse 19e eeuwse geschiedenis, literatuur en muziek. Ons kennispalet over Wagner en Heine is deze avond intensief bijgekleurd en de dank jegens Herman aan het slot was dan ook groot. ♪ home
----------------------------------------
Heinrich August Marschner: de schakel tussen Weber en Wagner.
Lezing van Michael H. Eisenblätter in de Tamboer op 14 december 2011
Impressie/verslag: Leo M. Cornelissen
![]() |
Precies op de dag dat Heinrich August Marschner 150 jaar geleden overleed hield ons lid Michael Eisenblätter in de Tamboer een uitvoerige en boeiende uiteenzetting over deze in ons land maar matig bekende componist.
Marschner werd geboren in 1795 in Zittau en overleed in 1861 in Hannover, na 26 jaar Hofkapellmeister te zijn geweest aan het hof aldaar. Muzikaal stond deze belangrijke romantische componist tussen Weber en Wagner in.
Marschner heeft ongelooflijk veel geschreven: 19 opera’s, 16 stuks toneelmuziek, 1 ballet, heel veel instrumentale muziek en 420 liederen en koorwerken (vooral voor mannenkoor).
Zijn solostukken en kamermuziek waren veelal bestemd voor thuisgebruik. Hij is voor de Duitse muziekopleidingen zeer belangrijk geweest. Deze niet bijzonder moeilijke muziek was heel speelbaar en hij is daarmee de grote Duitse leraar geworden. Zijn werken waren lesstof op alle scholen en werden uitgevoerd door alle mannenkoren en hij is daarmee in Duitsland tot op vandaag, heel bekend gebleven. Zeer uitzonderlijk in Noord-Europa, heeft hij al in 1830 als eerste voor klassiek gitaar geschreven. Michael liet ons ook een aantal markante koorwerken horen, waaronder Das Testament.
Marschners bekendste opera’s Der Vampyr (1828), Der Templer und die Jüdin (1829) en vooral Hans Helling (1833) hebben in het Duitstalige gebied lang repertoire gehouden
Het zijn duidelijk romantische opera’s van nationale Duitse snit uit de 1e helft van de 19e eeuw met destijds populaire thema’s van geheimzinnigheid en bovennatuurlijke elementen. Ook zijn andere werken voldoen hier volledig aan.
Bijzonder boeiend is de al hiervoor genoemde schakelfunctie van Marschner tussen Weber en Wagner. De structuurgeoriënteerde vernieuwingen die Weber in de Duitse romantische opera aanbracht werkte Marschner verder uit, vergrootte de complexiteit en voegde het element van de psychologische karakteranalyse van de personen toe. De opera als louter contrastverhaal liet hij duidelijk achter zich, voegde nieuwe dimensies toe aan het Singspiel en ontwikkelde een aanzienlijk duidelijker psychologisch karakterdrama. Maar het element van een verlossingsgedachte en de doorontwikkeling tot Gesamtkunstwerk zouden eerst later Wagners bijdragen aan de muziekgeschiedenis worden.
Marschner heeft onmiskenbaar allerlei elementen van Webers Freischütz overgenomen en die verwerkt in zijn eigen stukken. De jonge Wagner was gefascineerd door Marschners orkestraties. Dat waren voor die tijd reeds behoorlijk ingewikkelde partituren en Wagner heeft daar voor zijn eigen werk in ruime mate uit geput. De 1e acte Lohengrin is ondenkbaar zonder Der Templer und die Jüdin. en ook Der Fliegende Holländer is aantoonbaar direct schatplichtig aan Marschners opera’s. Michael liet ons diverse opnamen horen waaruit dat voor iedereen overduidelijk werd.
Een bijzondere avond over een componist die velen maar nauwelijks tot de verbeelding sprak, maar die door het levendige verhaal van Michael en de vele belangwekkende geluidsfragmenten die hij ten gehore bracht, een stuk dichterbij is gekomen. Ook onze kennis over Wagner is hiermee weer verder verrijkt. Michael, zeer bedankt!! ♪ home
----------------------------------------